De 'oude' kerndoelen (1998-2003) voor wiskunde staan hier. Naar aanleiding van rapporten van de onderwijsinspectie en de onderwijsraad wordt de basisvorming aangepast. Als overgangsmaatregel geldt o.a.:
Voor de concrete uitwerking van de plannen is in 2002 de taakgroep vernieuwing basisvorming in het leven gerepen. Deze heeft in juni 2004 haar eindrapport gepubliceerd. Hierin staat o.a. over het leergebied wiskunde:
Leerlingen hebben op verschillende manieren wiskunde nodig: buiten school in het leven van alledag, op school ter ondersteuning van het leren in andere leergebieden en als voorbereiding op mogelijke keuzes voor bepaalde vervolgopleidingen. In de eerste jaren van het voortgezet onderwijs verwerven leerlingen inzicht en vaardigheden op het gebied van getallen, grootheden, maten, vormen, structuren en de daarbij passende relaties, bewerkingen en functies. Aansluitend op het basisonderwijs ontwikkelen ze hun vaardigheden in de ‘wiskundetaal’ en worden steeds verder ‘wiskundig geletterd en gecijferd’.
De wiskundetaal bestaat onder andere uit rekenkundige, wiskundige en meetkundige uitdrukkingen, meetkundige tekeningen en schema’s, modellen, formele en informele notaties, schematische voorstellingen, tabellen, grafieken en opdrachten voor computer en rekenmachine. ‘Wiskundig geletterd en gecijferd worden’ wil zeggen dat leerlingen het vermogen ontwikkelen om in de verschillende situaties van hun huidig en toekomstig leven aan wiskunde gerelateerde informatie te herkennen, te interpreteren en te gebruiken. Daartoe bouwen ze een repertoire op van parate kennis, inzichten, routines en attitudes. Omgang met rekenapparatuur en computers heeft in het wiskundeonderwijs een belangrijke en veelzijdige plaats: leerlingen leren ze gebruiken als hulpmiddel, toepassingsmogelijkheid, informatiebron en communicatiemiddel.
Leerlingen ontwikkelen in de basisvorming hun wiskundige kennis en vaardigheden met onderwerpen van verschillende herkomst. Veel leerlingen zullen zich uitgedaagd voelen tot wiskundige activiteit als zij in een betekenisvolle context, die past bij hun eigen niveau, aan wiskundige vraagstukken werken. Anderen ontlenen die uitdaging wellicht aan een meer abstracte, theoretische benadering. Vanwege het oriënterend karakter van de onderbouw is het in beide gevallen belangrijk dat de volle breedte van de toepassingsgebieden van wiskunde aan bod komt: het leven van alledag, andere leergebieden, vervolgonderwijs, de beroepenwereld en de wiskunde zelf.
De relatie met andere vakken en leergebieden is een tweezijdige: gebruik van contexten uit andere leergebieden in het wiskundeonderwijs en bewust werken aan aspecten van wiskunde in het onderwijs in andere leergebieden. De transfer van wiskundevaardigheden in andere leergebieden is een belangrijk punt van aandacht en toepassing maakt deel uit van het beleid voor de hele school.
De nieuwe kerndoelen onderbouw VO hebben betrekking op het kerndeel. De beperking van het aantal kerndoelen maakt het mogelijk het tijdsbeslag van het verplichte kerndeel te beperken tot 2/3 van twee jaar. Dat is ruim 1400 klokuren aan onderwijstijd, iets meer dan de helft van de 2500 klokuren die in de 'oude' situatie moesten worden besteed aan de kerndoelen basisvorming. De andere 1100 klokuren blijven uiteraard beschikbaar voor het geven van onderwijs, maar er worden geen nieuwe extra regels voor gesteld. Die onderwijstijd valt in feite toe aan de differentiële ruimte en komt vanaf het derde leerjaar met name in het vmbo ook beschikbaar voor de bovenbouwprogramma's.
Door alle aandacht voor de kerndoelen en het kerndeel dreigt die differentiële ruimte bij de verschillende vakinhoudelijke experts en belangengroepen wel eens uit het zicht te raken. De kerndoelen worden dan geïnterpreteerd alsof alles wat er niet in staat door geen enkele leerling hoeft te worden geleerd. Dat gaat volledig voorbij aan de omvang en de betekenis van de differentiële ruimte. Het differentiële deel is nadrukkelijk niet bedoeld als een door scholen volledig vrij in te vullen deel. In grote lijnen zijn drie functies te onderscheiden: voldoen aan vereisten van verschillende schoolsoorten, realiseren van maatwerk (remediërend, extra aanbod), en profileren van de school. Het voorstel voor nieuwe kerndoelen onderbouw VO bevat ook een algemene karakteristiek van de onderbouw. De karakteristiek beschrijft kenmerken van het onderwijs, in relatie tot de eisen die daaraan worden gesteld vanuit de leerling voor wie het onderwijs is bestemd en tot de plaats van de onderbouw VO in het stelsel. Dat betreft dus nadrukkelijk ook het differentiële deel.
De kerndoelen voor de onderbouw zijn globaal geformuleerd. SLO heeft de opdracht gekregen van het ministerie van OC&W om de kerndoelen te concretiseren om docenten zo meer houvast te bieden bij het inrichten van hun onderwijs.
Deze uitwerking is vooral gericht op docenten die naast hun methode ook op een andere manier het wiskundeonderwijs voor hun leerlingen vorm willen geven. De beschrijving is gericht op onderwijs dat aan leerlingen een actieve rol wil geven bij het leren van wiskundevaardigheden en denkwijzen. Het bevat voorbeelden die, hopelijk zonder al te veel moeite, door een docent om te zetten zijn in lessen die aan leerlingen die actieve rol kunnen geven. Het bevat geen lijsten van alles dat aan de orde zou moeten komen in de onderbouw, daarin voorzien de methoden voldoende.
Concrete uitwerking kerndoelen wiskunde (pdf - 1Mb)
De bedoeling is de leerdoelen uit te werken in leerstandaarden. Daartoe is door SLO en CITO een verkenning gedaan aan de hand van kerndoelen 21 t/m 23, met o.a. aandacht voor uitwerking op verschillende niveau's. In dit document staan ook veel voorbeeldopgaven. Ook beschikbaar: TVB werkdocument 10.